ROERMOND -
Ruim zes op de tien Nederlandse 55-plussers geven er de voorkeur aan in de eigen woning te blijven wonen als de mobiliteit achteruitgaat, in plaats van te verhuizen. Tegelijkertijd beoordeelt meer dan de helft de huidige woning als niet volledig geschikt om oud in te worden.
Dat blijkt uit onderzoek van
Smienk, uitgevoerd onder vijfhonderd Nederlandse 55-plussers.
Mobiliteit
De overgrote meerderheid van de ondervraagde 55-plussers geeft aan thuis te willen blijven wonen als de mobiliteit achteruitgaat. Slechts 24 procent beoordeelt de eigen woning op dit moment als volledig geschikt om oud in te worden. De rest ziet aanpassingen als noodzakelijk of weet dat verhuizen op termijn onvermijdelijk wordt. Toch overweegt 50 procent helemaal niet te verhuizen.
Wachtlijst
De reden daarvoor is veelzeggend: 79 procent van de respondenten vindt het aanbod aan geschikte seniorenwoningen in de eigen regio onvoldoende. Van wie zich ooit heeft ingeschreven voor een seniorenwoning, staat maar liefst 39 procent al langer dan vijf jaar op de wachtlijst. Voor een grote groep ouderen is thuis blijven dus geen vrije keuze, maar een gedwongen conclusie bij gebrek aan passende alternatieven.
Schijnrust
Opvallend genoeg maakt die situatie de meeste ouderen niet wakker van zorgen. Want 64 procent zegt weinig zorgen te hebben over de toekomstige woonsituatie. Bij doorvragen blijkt echter dat 40 procent in enige of sterke mate het gevoel heeft vast te zitten in de huidige woning. Die rust is voor een deel schijnrust: niet onbezorgd, maar berust.
Traplift
Gevraagd welke aanpassingen zij al hebben gedaan of overwegen, noemt 77 procent een traplift. Dat is ruimschoots de populairste keuze, met een flinke voorsprong op beugels en handgrepen (46 procent) en het verwijderen van drempels (19 procent). Als gevraagd wordt welke aanpassing mensen als eerste zouden doen bij achteruitgaande mobiliteit, kiest 47% procent opnieuw voor een traplift. De op twee staande optie, verhuizen naar een gelijkvloerse woning, scoort 17 procent.
Psychologisch
Het vertrouwen in woningaanpassingen als oplossing is breed: 77 procent van de respondenten denkt dat aanpassingen hen in staat stellen langer zelfstandig thuis te wonen. Dat geloof is er dus wel. Wat ontbreekt is de stap om er tijdig iets mee te doen. Verreweg de meeste belemmeringen die mensen noemen zijn niet praktisch van aard, maar psychologisch. De meest genoemde reden om nog niets aan de woning te doen: 34 procent wacht bewust tot aanpassing echt noodzakelijk is. Nog eens 29 procent vindt het simpelweg nog niet nodig. Samen beslaat dit ruim de helft van de respondenten die nog niet in actie zijn gekomen. Kosten vormen voor 18 procent een drempel, maar spelen voor de meerderheid geen rol. Slechts 5 procent geeft aan dat de woning zich er technisch niet voor leent.
Beslissing
Voor 53 procent van de respondenten is een concrete verandering in de gezondheid de trigger die hen uiteindelijk over de streep trekt. Een val, een diagnose of een ziekenhuisopname: pas dan wordt de knop omgezet. Dat is precies het moment waarop haast geboden is en rust ontbreekt, terwijl een weloverwogen keuze voor de juiste aanpassing nu juist tijd en orientatie vraagt. Wie bepaalt uiteindelijk wanneer de woning wordt aangepast? De bewoner zelf, in 43 procent van de gevallen. Kinderen, artsen en ergotherapeuten spelen slechts een marginale rol. Dat sterke gevoel van eigen regie is op zichzelf positief, maar heeft ook een keerzijde: zolang de bewoner het moment nog niet rijp acht, komt er niets in beweging.
Overheid
Over de rol van de overheid zijn de ondervraagden kritisch. Bijna twee derde, 63 procent, voelt zich nauwelijks of helemaal niet gehoord als het gaat om woonproblemen voor ouderen. Slechts 7 procent ervaart zich volledig gehoord. Dat past bij het bredere beeld van lange wachtlijsten en een woningmarkt die voor ouderen weinig ruimte biedt.